Vanaf morgen zou ik stoppen met ronde letters schrijven. Mijn g zou geen weelderig krulletje meer krijgen maar een rechte, mannelijke poot. En ik zou niet meer met mijn benen over elkaar gaan zitten. Het zou moeilijk zijn dat af te leren, maar dat mocht ik voortaan alleen nog maar doen als ik in mijn kamer huiswerk maakte, hoewel het beter was het dan ook te laten, het uit mijn systeem te krijgen. Ik hield een korte tak vast, waarmee ik een mannelijke g en een mannelijke j uitprobeerde in het zand van het strandje waar ik zat. Ik maakte verschillende opties en koos er een. Ik trok er een vierkantje omheen.
Ik keek op, niet verveeld, wel lusteloos. Het water van de Maas rimpelde. Links van me denderde een vrachttrein over de spoorbrug. Het strandje waar ik zat was wat lager gelegen dan de uiterwaarden van de rivier, die zich een meter of twee boven het water verhieven en waar ik een vrouw iets hoorde roepen, vermoedelijk naar de hond die ze uitliet.
Het hielp niet om hier te zitten. Later, als ik thuiskwam bij mijn ouders, zouden de randen van mijn herinneringen aan de dag op school nog net zo hard en scherp in mijn vel snijden als nu. Ik kon het niet aan om mijn ouders onder ogen te zien – ik zou het straks net zo min aan kunnen, maar nu kon ik het zeker niet aan, en daarom zat ik hier, de tijd te doden. Mijn gedachten flikkerden aan en uit. De puinhoop van situaties waarmee ik geen raad wist, werd hoe langer hoe onontwarbaarder, zoals de lichtschakeringen in het wateroppervlak die mij verder hypnotiseerden naarmate ik langer keek.
Het water rimpelde. Toen constateerde ik: het rimpelt de verkeerde kant op. Het rimpelt naar rechts, en niet naar links zoals altijd. Ik besefte meteen hoe vreemd het was. Er zou in de kranten over worden geschreven. Maar toch interesseerde het me niet, want voor hetzelfde geld was het helemaal niks.
Thuis vroeg mijn moeder me hoe het op school was geweest en ik antwoordde dat het goed was geweest, gewoon goed. Terwijl ik het zei dacht ik niet aan school maar aan de rivier. Om te zorgen dat ze niet zou doorvragen vervolgde ik: “Het water stroomt de verkeerde kant op.”
“Het water?” vroeg mijn moeder.
“In de Maas.”
“Hoezo stroomt het de verkeerde kant op?”
“Ik weet niet hoezo, ik zeg het alleen maar.” Ik liet mijn lepel herhaaldelijk met de bolle kant op de vlak geprakte massa aardappelpuree neerkomen.
Mijn vader prikte een worst uit de pan die droop van het vet en de jus. Hij zei: “Het waaide tegen de stroom in, dan lijkt het alsof het water terugstroomt. Onder de oppervlakte gaat het richting de zee, zoals altijd.”
Daar had ik natuurlijk ook aan gedacht, maar het water stroomde de verkeerde kant op, ook onder het oppervlak. Ik had al vaak genoeg naar de rivier gekeken om dat te weten. Die avond oefende ik mijn nieuwe g aan mijn bureau. Ik keek naar mijn haar in de spiegel aan de binnenkant van mijn kledingkast. Ik zou het moeten afknippen. Ik pakte een schaar en knipte min of meer lukraak een pluk af; het was mislukt, ik woelde mijn haar wat door de war om de te korte lok te verhullen.
Ik ging in bed liggen en voelde aan mijn haar, ik dacht aan mijn g, het waren hopeloze pogingen. Ik wist natuurlijk wel dat ik later, over een jaar of vijf tot tien, geen echt leven zou kunnen leiden. Ik ging niet opgroeien, ik ging geen volwassen mens worden. Hoe ik dat probleem zou oplossen wist ik nog niet. Nu leefde ik van dag tot dag. Ik dacht aan de kantine, waar ik had gezeten, waar een groep jongens op me af was gekomen, ik had de bui al voelen hangen, een van hen zag mij, draaide zijn rug naar me toe en trok zijn broek naar beneden, de rest lachte, verderop zat een groepje mensen, zij zagen het, ik zat alleen, ze lieten me. Ik probeerde zo min mogelijk te reageren.
Ik kneep mijn ogen dicht. Ik wist inmiddels dat ik een dag ook wel doorkwam als ik maar vier uur sliep.
De volgende dag zag ik het opnieuw: het water rimpelde oostwaarts in plaats van westwaarts. Enkele tientallen meters verderop was er iemand met een skimboard in de weer aan de waterkant. Een jongen die een jaar of drie ouder was dan ik. Voor ik het wist vroeg ik: “Wat is er met het water aan de hand?”
“Wat?”
“Gaat de stroming wel de goede kant op?”
“Nee, de stroming is omgekeerd, ik weet niet hoe dat komt.”
Zie je wel. De jongen klom de uiterwaarden op met het skimboard onder zijn arm. Ik draaide me om, om hem na te kijken. Hij droeg een wijd zittend wit T-shirt met zandvlekken en een zwembroek die tot op zijn knieën viel; zijn haar was donkerblond en halflang. Hij leek me een nogal lamlendige jongen, maar het leek alsof hij niet per ongeluk lamlendig was geworden. Hij wist wat hij nog meer kon zijn maar had gekozen lamlendig te zijn. Ik kon hem vast van alles vragen, en dan zou hij het antwoord weten. Ik richtte me half op in een plotselinge impuls om vrienden met hem te worden. Maar halverwege de beweging voelde ik me gegeneerd en ging weer met mijn gezicht naar de rivier zitten.
De jongen had bevestigd wat ik al zeker wist omdat ik het zelf had gezien, maar tegelijkertijd wist ik net zo zeker dat het niet kon bestaan wat ik had gezien. Je hebt zo van die zekerheden, zoals de zekerheid dat rivieren naar de zee stromen, of de zekerheid dat ik nooit echt van mijn eenzaamheid af zou kunnen komen. In een opwelling van daadkracht besloot ik de proef op de som te nemen. De onzekerheid had lang genoeg geduurd. Het zou misschien even onprettig zijn, maar daarna zou ik er nooit meer aan hoeven denken.
Ik liep het water in en zwom naar het midden van de rivier. Ik ontspande mijn spieren, merkte dat ik onder water werd getrokken en besloot te blijven watertrappelen. Ik stroomde naar rechts, de verkeerde kant op. Ik stroomde langs de uiterwaarden, langs de vier flats aan de boulevard, langs het moerassige gebied waar koeien graasden, ik stroomde langs een klein dorpje aan de dijk en zag mensen op het terras van een café zitten. De stroming was niet snel, maar ik kon mij er gemakkelijk aan overgeven. De rivier kapselde mij in, had mij aanvaard als beschermeling. Ik stroomde zo een paar uur, het ging goed, alles was zoals het moest zijn, ik zag de boulevards van Venlo en ik stroomde onder de hoge bruggen van Maastricht door. De Maas stroomde de andere kant op dan normaal, en niemand viel de Maas lastig. Sommige mensen aan de kades keken mijn richting op. Zij zagen mij, of misschien zagen zij slechts de omgekeerde stroming, of misschien zagen zij dat niet eens. Zij liepen door, aten verder, zetten hun gesprekken voort.
Ik stroomde de grens met België over, stroomde langs aftakkingen van de rivier die net als de Maas naar boven stroomden, in plaats van naar beneden. Ik stroomde langs de steenstrandjes in de Ardennen, ik richtte mijn blik naar boven en zag de bergtoppen die als bemoeizuchtige armen mijn blikveld binnen reikten. In de Zwitserse bergen stroomde ik omhoog. De rivier werd steeds een beetje smaller en ik merkte op dat mijn lichaam navenant begon te slinken. Mijn linkerarm trok zich geleidelijk terug in mijn romp, toen volgde mijn rechterarm, daarna mijn benen. Hoog in de Alpen, voorbij Neufchâteau, was de Maas nog slechts een beekje dat tussen de rotsen door kabbelde. Mijn lichaam was tegen die tijd geheel verdwenen en ik was gereduceerd tot een piepklein stukje bewustzijn dat steeds meer begon te haperen: telkens was ik even weg, kwam dan weer bij, voelde dat ik langs een met mos begroeide rots gleed, gleed weg, zag dan een grappig wolkje in de saaie blauwe lucht boven mij, zakte weg, en zag toen plotseling de opening van een fles die een bergwandelaar in het beekje vulde voor me uit torenen.
Ik zag een imponerend berglandschap, vervormd door het gebogen stuk roze transparant plastic van de fles waarin ik mij bevond. Toen ik de mond zag waarin ik zou verdwijnen, wist ik dat mijn lot was beklonken. Er restten mij hoogstens nog enkele seconden.
In die laatste ogenblikken schoot mij de pluk haar te binnen die ik had afgeknipt, en die ik op de vloerbedekking van mijn slaapkamer had laten liggen. Ik zou dus niet helemaal in het niets verdwijnen. Tenzij die pluk inmiddels in een stofzuigerzak was verdwenen. Ach, dacht ik. Wat zou het ook.

Geef een reactie