Essay: Magisch realisme bij Robert Louis Stevenson

—

door

in

Dit essay is op 16 oktober als onderdeel van de Klassieker-reeks verschenen op 8WEEKLY; zie hier.


De teksten van de Schotse auteur Robert Louis Stevenson worden over het algemeen tot de gotische literatuur gerekend. Minder alom erkend is het feit dat de auteur in sommige van zijn verhalen flirt met een bovennatuurlijke werkelijkheid, zoals in The Beach of Falesá en The Ebb-Tide, maar ook in het bekende The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde. In dit essay zoek ik in eerste plaats een antwoord op de vraag in hoeverre Jekyll and Hyde, vanwege de bovennatuurlijke elementen die erin voorkomen, als magisch-realistisch kan worden beschouwd.

In Stevensons Jekyll and Hyde slaagt de geliefde en goedhartige dokter Henry Jekyll er met behulp van een ingewikkeld elixir in om zichzelf te transformeren in mr. Hyde, een personificatie van het kwaad dat schuilt in dr. Jekyll. Jekyll beschikt op die manier over een tweede identiteit, in wiens hoedanigheid hij zich ongeremd kan overgeven aan geneugtes die zijn goede fatsoen en zijn geweten hem normaal gesproken ontzeggen. Waar Jekyll echter aanvankelijk eenvoudig heen en weer beweegt tussen zijn twee identiteiten, wordt het kwaad in dr. Jekyll na verloop van tijd zo krachtig dat hij zich niet meer van de identiteit van Hyde kan losmaken. Jekyll gaat dus uiteindelijk aan zichzelf – specifiek, aan het kwaad dat in hem huist – ten onder. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van doktor Utterson, die de geschiedenis van dr. Jekyll en mr. Hyde stukje bij beetje ontsluiert.

In The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde trekt Stevenson de ondeelbaarheid van de mens – die wij lezers als een vanzelfsprekend kenmerk van de ons bekende realiteit beschouwen – in twijfel. Volgens het tekstboek An Introduction to Literature, Criticism, and Theory (Bennet, Andrew, and Nicholas Royle. An Introduction to Literature, Criticism and Theory. Taylor & Francis, 2016) komen op die manier de natuurwetten zoals wij die kennen onder hoogspanning te staan. Een dergelijke ontkrachting van de natuurwetten wordt in de literatuurkritiek doorgaans gezien als een kerneigenschap van het magisch realisme (zie bijvoorbeeld Bowers, Maggie Ann. Magic(al) Realism. Routledge, 2004).

Zo komen we bij de vraag uit: is Jekyll and Hyde inderdaad magisch-realistisch te noemen? Om die vraag verder te behandelen, is het noodzakelijk allereerst duidelijk te maken wat in dit essay met ‘magisch realisme’ wordt bedoeld.

Magisch realisme: een summier literair-kritisch kader

Een magisch-realistisch verhaal dient in eerste plaats sterk gegrond te zijn in de ons bekende realiteit. Daartoe heeft de schrijver een aantal krachtige middelen tot zijn beschikking: de auteur kan een concrete geografische setting kiezen, gebruikmaken van plaatsnamen, alledaagse, goed voorstelbare personages ten tonele voeren, of een verhaallijn kiezen die niet al te bombastisch is maar liever overeenkomt met hoe ‘echte’ mensen de realiteit beleven. Een voorbeeld van een bij uitstek magisch-realistische tekst waarin al deze strategieën worden toegepast is de serie Over de berekening van ruimte van de Deense Solvej Balle. Ook vinden we veel van deze kenmerken terug in de meeste boeken van de gelauwerde Antwerpse magisch-realist Hubert Lampo. Diezelfde Hubert Lampo onderschrijft in zijn literair-kritische boek De zwanen van Stonehenge – volgens de ondertitel een ‘leesboek over magisch realisme en fantastische literatuur’ – het belang van een realistische basis in een magisch-realistische vertelling.

Vervolgens dienen er bovennatuurlijke, magische verhaalelementen te worden geïntroduceerd. Het is essentieel dat de verbinding met de realistische basis die de auteur heeft gelegd – de ons bekende, ‘aardse’ realiteit – voelbaar blijft, ook op de momenten dat zich gebeurtenissen voordoen die uit een bovennatuurlijke realiteitslaag afkomstig lijken. Op die manier wordt de lezer twee realiteitslagen tegelijk gewaar. In de gelijktijdige perceptie van de aardse en de bovennatuurlijke realiteitslaag schuilt, mijns inziens, de kern van de magisch-realistische leeservaring.

Sporen van het bovennatuurlijke bij Stevenson

Ik geef enkele voorbeelden van passages uit verhalen van Robert Louis Stevenson die ik magisch-realistisch zou willen noemen, de bovenstaande omkadering van die categorie indachtig. Ik citeer een aantal passages uit de verhalen The Beach of Falesá en The Ebb-Tide. In beide verhalen arriveert een Brits hoofdpersonage op een afgelegen eiland in de Stille Oceaan. Beide Britse personages komen in contact met de inheemse bevolking; toch draait het plot grotendeels om de confrontatie van de hoofdpersonages met andere westerlingen ter plaatse. Hoewel het maar een kleine rol in het verhaal bekleedt, beleven de hoofdpersonages uit beide verhalen op de eilanden momenten waarop zij zich bewust lijken te worden van een bovennatuurlijke realiteit:

… Ik was op een plek gekomen waar de ondergrond bestond uit wat ze hier wilde kokos noemen … toen ik het geluid hoorde van een zingende wind zoals ik het nog nooit eerder had gehoord. Ik kon mezelf vertellen dat het de takken waren; ik wist beter. Ik kon mezelf vertellen dat het een vogel was; ik heb nooit een vogel gekend die op die manier zong. Het steeg en zwol aan, en stierf weg en zwol opnieuw aan; en nu dacht ik dat het iemand was die huilde, maar dan mooier dan dat; en nu dacht ik dat het harpen waren … We lachen misschien om de inboorlingen en hun bijgeloof; maar zie hoeveel handelaars het van ze overnemen … Ik geloof dat bijgeloof op een plek als deze groeit zoals de verschillende soorten onkruid dat doen; en terwijl ik daar stond en luisterde naar dat gehuil, stond ik te rillen van angst in mijn schoenen.

The Beach of Falesá, eigen vertaling

… terwijl Herrick [naar een verzameling antieke scheepsrelikwieën] keek, leek het alsof de bemanning van de schepen daar op wacht stond, en hij hoorde het sluipen van voeten en van fluisteringen, en vanuit zijn ooghoek zag hij de alledaagse geesten van zeemannen.

The Ebb-Tide, eigen vertaling

Toen bekroop Davis, vanuit de diepe wortels van zijn wezen, of in elk geval ver vanuit zijn herinneringen aan zijn kindertijd en aan onschuld, een vlaag van bijgeloof. Deze golf van ongeluk was iets van buiten het natuurlijke; de kansen van het spel zelf zijn gevarieerder; het was alsof de duivel zelf de stukken bewoog.

The Ebb-Tide, eigen vertaling

In de tekst die aan deze passages voorafgaat worden de twee personages, vanuit wiens perspectieven deze verhalen worden verteld, voorgesteld als nuchtere, nogal barse karakters, wars van neigingen tot spiritualiteit. De hechting van deze personages aan de aardse realiteit is zo overtuigend dat in deze passages die realistische basis voelbaar blijft; ondertussen worden we, door de toespelingen op geesten en de vrij letterlijke verwijzing naar iets ‘buiten het natuurlijke’ in de laatste passage, een bovennatuurlijke realiteitslaag gewaar. Die configuratie van aardse en bovennatuurlijke elementen brengt een magisch-realistische leeservaring teweeg.

De wetenschap als spelbreker

Bovenstaande voorbeelden illustreren het magisch realisme aan de hand van enkele passages uit het oeuvre van Stevenson. Nu terug naar Jekyll and Hyde: in hoeverre speelt het magisch realisme in dat verhaaleen rol?

Jekyll and Hyde speelt zich af tegen een achtergrond die weliswaar zeer omineus aandoet, maar die niettemin duidelijk geworteld is in onze realiteit; in de eerste plaats vanwege de vele en vrij specifieke verwijzingen naar Londense straten, maar ook vanwege dr. Uttersons verbazing over de gebeurtenissen die hij stukje bij beetje ontsluiert. Die verbazing is een krachtig middel om de vertelling in een realistische basis te verankeren, omdat zij duidelijk maakt dat wat Henry Jekyll overkomt inderdaad niet strookt met de werkelijkheid zoals de (Westerse) lezer die kent. Tegen die realistische achtergrond lezen wij over de geheimzinnige en ontegenzeggelijk bovennatuurlijke isolatie van het kwaad uit dr. Jekyll in mr. Hyde. Het is dus relevant om de vraag te stellen of deze configuratie van het aardse en het bovennatuurlijke inderdaad een magisch-realistische leeservaring teweegbrengt, zoals dat in The Beach of Falesá en in The Ebb-Tide het geval is.

Ondanks deze op zich veelbelovende configuratie van realiteitslagen, moet Jekyll and Hyde wat mij betreft de magisch-realistische leeservaring ontberen. Dat is te wijten aan een tamelijk subtiel detail: de betrokkenheid van de wetenschap.

Tot het moment dat de lezer leert over de uitvinding van dr. Jekyll, is het verhaal wel mysterieus, maar is er geen sprake van bovennatuurlijke elementen. Zodra dr. Jekyll echter zijn uitvinding – het kunnen splitsen van de eigen identiteit, een idee met groot bovennatuurlijk potentieel – uit de doeken doet, wordt die uitvinding toegeschreven aan de wetenschap. En de wetenschap is bij uitstek een onderdeel van de ons bekende realiteit. Sterker nog, het lijkt niet overdreven om te stellen dat de wetenschap meer dan wat dan ook bepalend is voor ons denken over de realiteit die ons op dagelijkse basis omringt. Met andere woorden: wat de wetenschap voortbrengt is de realiteit.

Door bij het introduceren van dr. Jekyll’s uitvinding direct duidelijk te maken dat die uitvinding wetenschappelijk verklaarbaar is, wordt het bovennatuurlijk potentieel van het splitsen van de persoonlijkheid in de kiem gesmoord. Stevenson trekt dr. Jekyll’s uitvinding aldus in de ons, Westerse lezers, bekende realiteit. Er is daarmee op geen enkel moment een tweede, bovennatuurlijke realiteitslaag voelbaar. Door de afwezigheid van de dubbele realiteit in Jekyll and Hyde wordt dit verhaal nooit écht magisch-realistisch.

De autoriteit van de wetenschap in de Westerse wereld maakt dat de wetenschap, interessant genoeg, literair gezien dus fungeert als toevlucht voor de schrijver die het onwaarschijnlijke in het narratief wil introduceren zonder daarmee de realistische basis van de tekst wezenlijk in het gedrang te brengen. Het is waarschijnlijk ook deze literaire waarde van de wetenschap als cultureel instituut dat aan sciencefictionliteratuur ten grondslag ligt.

Een literaire categorie, geen genre

Tot slot is het de moeite waard om op te merken dat – zoals uit bovenstaande geciteerde passages ook al duidelijk werd – de kwalificatie ‘magisch-realistisch’, in elk geval zoals het hier is gedefinieerd, niet per se betrekking hoeft te hebben op de tekst als geheel. Sterker nog, in de meeste gevallen zijn het losse passages of een enkele zin die de magisch-realistische leeservaring teweegbrengen.

Ook bij schrijvers wiens oeuvre over het algemeen goeddeels als magisch-realistisch wordt beschouwd, opereert het magisch-realisme in feite veelal op zinsniveau en in mindere mate op het niveau van het boek als geheel. Zo zijn de romans van Gabriel García Márquez niet geheel magisch-realistisch; liever zet deze auteur het magisch realisme met regelmaat en grote vakkundigheid in als literair element in bepaalde specifieke passages. Omgekeerd geldt hetzelfde: we treffen magisch-realistische passages aan bij schrijvers die canoniek niet te boek staan als vertegenwoordigers van het magisch realisme, zoals Knut Hamsun, Agustín Fernández Mallo, en dus Robert Louis Stevenson.

Magisch realisme is, met andere woorden, geen genre, maar een literair kenmerk dat een bepaalde leeservaring veroorzaakt. Een efemere ervaring, die er even is en een zin verder alweer kan zijn weggetrokken, maar die bij de lezer een uitgesproken bevreemdende gewaarwording teweegbrengt.


Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *